De uitspraak van de rechter dat het stoppen van de subsidie aan de Theatercompagnie onrechtmatig was, heeft nogal wat losgemaakt. Argument was onder meer dat een van de beoordelaars – de Rotterdamse schouwburgdirecteur Jan Zoet - niet onpartijdig was omdat deze in het bestuur van Toneelgroep Amsterdam zit . Een andere adviseur - Jarrod Francisco - had zelf een aanvraag bij het Fonds lopen. “Maar toen zijn eigen aanvraag werd besproken, ging hij de gang op”, zei Fondsdirecteur George Lawson in De Volkskrant.
Je kunt hierover twee dingen opmerken. Zeker een overheidsorganisatie als het Fonds voor de Podiumkunsten zou zich moeten houden aan de uitgangspunten van Cultural Governance. Dat betekent dat het geen deskundigen zou moeten aantrekken bij wie het gevaar van belangenverstrengeling bestaat. Het zal best moeilijk zijn om deskundigen te vinden die niet bestuurlijk of anderszins bij andere culturele organisaties zijn betrokken. Maar ze zijn er wel, zeker als ze zelf de Code Cultural Governance ook hanteren. Bij de Rotterdamse Schouwburg is dat zeker niet het geval. Dan zou Jan Zoet nooit bestuurder van een toneelgezelschap zijn dat in zijn eigen schouwburg optreedt. Formeel doet hij zo zaken met zichzelf…
Ook het “op de gang staan” werkt niet echt. Elke psycholoog kan vertellen dat als mensen in een sociale context actief zijn (en is bij een commissie het geval) de bereidheid ontstaat om elkaar te helpen en dat objectiviteit naar de achtergrond verdwijnt.
De gevolgen van de uitspraak van de rechter gaan dan ook aanzienlijk verder dan alleen de Theatercompagnie, maar kan consequenties hebben voor alle beslissingen van landelijke, provinciale en lokale adviescommissies. Een muisje met een stevige staart….
woensdag 28 oktober 2009
Op de gang staan
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)

2 reacties:
Op de weblog van George Lawson staat vandaag een reactie van hem op de uitspraak.
Lijkt mij een interessante discussie worden over het wel of niet kunnen deelnemen aan de adviescommissie.
Groet, Ed
Hier de tekst van George:
Theatercompagnie - 29/10/2009
Wat een commotie ineens. Onze juridisch medewerker Dennis Stam attendeerde eergisterenochtend al op de mogelijkheid dat we die dag de uitspraak inzake de Theatercompagnie zouden ontvangen, maar hij achtte de kans groter dat het zes weken later zou worden. Niet dus. Als de spreekwoordelijke donderslag bij heldere hemel zeilde de vernietiging van het besluit om het subsidie aan dit gezelschap te beëindigen onze mailboxen binnen.
Met de mogelijkheid dat de Theatercompagnie de zaak zou winnen, hielden we niet direct rekening. We hadden immers al de nodige juridische gedachtewisselingen achter de rug die steeds gunstig waren uitgevallen voor het fonds. Aan de andere kant beslissen rechters in ons land onafhankelijk en autonoom. Dat is een groot goed, maar het kan ook voor verrassingen zorgen. En een verrassing vormde deze uitspraak zeker. Niet eens zozeer vanwege de terechtwijzing van het fonds. Maar vanwege de reden daarvoor. Sinds jaar en dag kunnen vakdeskundigen die betrokken zijn bij een of meerdere aanvragen gewoon deel uitmaken van adviescommissies. Zij moeten dan wel bij de behandeling van die aanvragen letterlijk en figuurlijk de gang op. Als het aan de rechtbank ligt, komt aan die praktijk een eind. Die ontknoping, met behoorlijke consequenties voor de manier waarop we in Nederland subsidies verdelen, hadden we eerlijk gezegd totaal niet voor mogelijk gehouden. In een klein land als het onze wordt het dan immers heel moeilijk om voldoende kundige adviseurs te vinden om de steeds van samenstelling wisselende commissies goed te kunnen bemensen.
Perspectief
Dat is geen aanlokkelijk perspectief. We hebben besloten de uitspraak van de rechtbank ter toetsing aan de Raad van State voor te leggen. Liefst, in overleg met het gezelschap, zo snel mogelijk. Vanaf gisteren heerst cultuurbreed onduidelijkheid. Dat moet niet te lang duren. Duidelijk is al wel dat de uitspraak van de rechtbank niet met terugwerkende kracht beslissingen op losse schroeven zet, waarvan de beroepstermijnen inmiddels verstreken zijn. Ik houd u op de hoogte.
Als onregelmatig maar geïnteresseerd lezer van je blog stuitte ik deze week op je stukje van 28 oktober met als titel Op de gang staan. Het viel me deze keer niet mee. Ik vind het suggestief en op essentiële punten onjuist. Ik zal je uitleggen waarom. Je suggereert dat mijn positie als lid van de Raad van Toezicht van Toneelgroep Amsterdam voor de rechter een argument was om de onrechtmatigheid van de subsidiestop aan de Theatercompagnie aan te tonen. Dat is onjuist. De rechter heeft expliciet benoemd dat mijn positie niet in het geding is, ook al werd dat door de Theatercompagnie beweerd. Ik hecht er aan dat je dit corrigeert. Je wel degelijk prikkelende stelling is dat het Fonds voor de Podiumkunsten zich zou moeten houden aan de uitgangspunten van de Code Cultural Governance en dat dit niet gebeurt omdat er sprake is van belangenverstrengeling.
Vanuit het perspectief van peer review, zoals dat in wetenschap en kunst al decennia lang plaatsvindt, is het onontkoombaar dat leden van een commissie relaties onderhouden of kennis hebben van de instellingen en personen over wie zij gezamenlijk moeten oordelen. In tegenstelling tot wat je in je column beweert, blijkt in de praktijk dat commissies niet enkel uit objectieve deskundigen - die geen enkel belang bij de sector hebben - kúnnen bestaan. Die zijn er eenvoudigweg niet. Een commissielid moet vele dagen per week in het theater zitten om met enig gezag een relevante inbreng te kunnen hebben. Maar een goede commissie moet niet alleen uit buitenstaanders bestaan. Een goede commissie is divers en bestaat uit mensen van verschillende generaties en regionale betrokkenheid, die uiteenlopende aspecten van een vakgebied goed kennen of vertegenwoordigen: het zijn fans, dramaturgen, schrijvers, regisseurs, wetenschappers en, ja, ook vertegenwoordigers van podia. Is dat in strijd met de Code Cultural Governance? Ik meen van niet. De Commissie Cultural Governance adviseert bestuurders en toezichthouders (en dus ook een fonds of Raad voor Cultuur) om glashelder verantwoording af te leggen en transparant te zijn. Pas als er sprake is van onverenigbaarheid van belangen dient een bestuurder volgens de Commissie Cultural Governance op te stappen. En daar gaat nu net de discussie over die de rechter met zijn uitspraak agendeert. Waar ligt die grens? Vanzelfsprekend oordelen commissieleden niet over projecten waar ze enig belang bij hebben. Zo heb ik me onttrokken aan de bespreking van alle Rotterdamse gezelschappen. En zoals je weet, al suggereert je stukje iets anders, wordt toneelgroep Amsterdam niet door het Fonds voor de Podiumkunsten beoordeeld. Uit de lange praktijk van beoordelen blijkt dat het draagvlak en vertrouwen van de samenleving in de oordelen van commissies onverdeeld groot is. Er ligt een divers advies, met ruimte voor genres, generaties, regio’s, publieksbereik, vernieuwing en traditie. Is het niet opvallend dat alleen instellingen die zijn afgewezen roepen dat het systeem niet deugt? Ken jij een realistisch alternatief dat werkelijk beter functioneert? Vind je ook niet dat het onze verantwoordelijkheid als podia en professionals is om verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst van ons kunstenlandschap?
In het tweede deel van je column stel je dat de Code Cultural Governance in de Rotterdamse Schouwburg niet wordt gehanteerd, omdat ik toezichthouder ben bij een theatergezelschap dat ook optreedt in de schouwburg. Ook hier moet ik je tegenspreken: de schouwburg hanteert nauwgezet de code die overigens nergens stelt dat dit niet mag, alleen dat er uiterst transparant en behoedzaam mee dient te worden omgegaan. Natuurlijk heb ik er lang over nagedacht of ik deze functie wel wilde vervullen. Ik heb me laten overtuigen door het feit dat Toneelgroep Amsterdam al decennialang er bewust voor kiest om in het bestuurdersprofiel een vertegenwoordiger van de podia op te nemen. En is dat niet juist belangrijk om een vertegenwoordiger van de afnemers te laten toezien op de besteding van belastinggeld ten behoeve van voorstellingen en hun publiek?
Groet Jan Zoet
Een reactie plaatsen